Onlangs sprak ik op een bijeenkomst van het Nationaal Platform Regionale Energie Strategie (NP RES), naar aanleiding van het essay “Van tellen naar wegen” van Christine Bleijenberg. Een inspirerend essay over de kwaliteit van participatie bij duurzaamheidsbeleid. Christine betoogt dat het bij burgerparticipatie niet gaat om een demografische afspiegeling van de samenleving, maar om inhoudelijke representativiteit: zorgen dat uiteenlopende perspectieven echt worden gehoord en gewogen. Daar ben ik het volledig mee eens.
Maar de bijeenkomst bracht mij ook bij een vraag die mij al langer bezighoudt. Wat betekent representativiteit eigenlijk als we kijken naar de uitvoering van de energietransitie? Naar de initiatieven die nu van de grond komen, de coöperaties die worden opgericht, de wijken die zichzelf organiseren? En helpt de nadruk op representativiteit daar ook? Of werkt die soms juist averechts?
De voorhoede loopt altijd vooruit
Initiatieven zijn in hun opstart zelden representatief. Dat is geen fout in het systeem, maar simpelweg de natuur van verandering. Zo laat onderzoek naar energiecoöperaties in Nederland zien dat de (eerste) leden gemiddeld een specifiek profiel hebben en daarmee lang niet altijd een afspiegeling vormen van de bredere samenleving. Dat patroon herken je ook in Rogers’ adoptiecurve: een kleine voorhoede van innovators en early adopters loopt altijd vooruit. Dat hoort zo. Zij zijn de aanjagers.
Als je deze koplopers dwingt te wachten totdat hun initiatief representatief genoeg is, raak je ze kwijt. En dat is een verlies dat de hele transitie vertraagt.
Representativiteit: geen foto, maar film
Tegelijkertijd geldt: als je groepen of gebieden die de transitie nog niet kunnen bijhouden forceert om toch mee te bewegen, raak je ook hen kwijt. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze met genoeg andere uitdagingen te maken hebben. Meer druk leidt dan niet tot betrokkenheid, maar tot weerstand en polarisatie. Dat is in niemands belang.
De oplossing zit in een andere manier van kijken. Representativiteit in de uitvoering is geen foto van één moment, maar het is een film over de hele duur van de transitie. De vraag is niet of een initiatief vandaag representatief is. De vraag is of iedereen er over tijd in meekomt.
Een dubbele opdracht voor de overheid
Dat vraagt om een overheid die twee dingen tegelijk doet – en dat bewust organiseert.
Ten eerste: geef ruimte aan initiatieven. Faciliteer de koplopers actief. Instrumenten als het uitdaagrecht zijn daar prima voor te gebruiken. Sla initiatieven niet dood met representativiteitseisen die ze in de kiem smoren.
Ten tweede: bouw een serieus vangnet. Richt je als overheid actief op de groepen én gebieden waar nog geen initiatieven ontstaan. Mensen in energiearmoede, huurders, slecht geïsoleerde wijken. Niet omdat die groepen iets te verwijten valt, maar juist omdat de drempel voor hen hoger is. Zorg dat het gat niet groter wordt.
Echte inclusiviteit in de energietransitie betekent dus niet dat iedereen op hetzelfde moment hetzelfde doet. Het betekent dat je een systeem bouwt waarin iedereen over tijd meekomt. Op eigen tempo, op eigen manier. En de taak van de overheid is dus niet om iedereen in hetzelfde tempo te dwingen, maar om ruimte te geven aan wie vooroploopt én ervoor te zorgen dat niemand achterblijft.
Laat als overheid de koplopers rennen, geef initiatieven opgroeiruimte en zorg ondertussen dat uiteindelijk iedereen de finishlijn kan halen.



