Gemeenten moeten aan de slag met hun participatieverordening. Door de Wet versterking participatie op decentraal niveau is artikel 150 van de Gemeentewet verbreed. Waar gemeenten inwoners eerder vooral moesten betrekken bij de voorbereiding van beleid, gaat het nu ook om de voorbereiding, uitvoering en evaluatie daarvan.
En er komt nog iets bij: gemeenten moeten in hun participatieverordening vastleggen onder welke voorwaarden inwoners en maatschappelijke partijen gebruik kunnen maken van het uitdaagrecht. Het uitdaagrecht betekent dat inwoners of maatschappelijke partijen de gemeente kunnen voorstellen om de uitvoering van een taak van de gemeente over te nemen, omdat zij denken dat dit anders, beter, slimmer, goedkoper of met meer maatschappelijke waarde kan.
De oude inspraakverordening moet uiterlijk 1 januari 2027 zijn vervangen door een nieuwe participatieverordening.
Het uitdaagrecht is hetzelfde als het ‘right to challenge’ en tijdens bijeenkomsten krijgen we vooral vanuit het sociaal domein vak de vraag: “Maar dat is toch niets nieuws? Dat hebben we toch al lang?” Het uitdaagrecht in het sociaal domein
Simpel gezegd: ja. In artikel 2.6.7 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 staat sinds de invoering van de Wmo al een bepaling die sterk lijkt op het uitdaagrecht. In de Wmo wordt gesproken over “the right to challenge” Daarin staat dat bij algemene maatregel van bestuur voorwaarden kunnen worden bepaald waaronder inwoners en maatschappelijke initiatieven bij de uitvoering van Wmo-beleid worden betrokken, inclusief het uitvoeren van taken van het college.
Dat is dus geen automatisch recht om een taak over te nemen, en ook geen vanzelfsprekende aanspraak op budget. Maar de gedachte is wel krachtig: geef inwoners en maatschappelijke initiatieven ruimte als zij ondersteuning dichterbij, passender of met meer betrokkenheid kunnen organiseren. Denk aan dagbesteding, ontmoetingsplekken, mantelzorgondersteuning of andere vormen van ondersteuning dichtbij inwoners. Juist daar raakt het Wmo-uitdaagrecht aan de bredere beweging die nu met de Wet versterking participatie op decentraal niveau wordt doorgezet.
Wat verandert er nu?
Met de Wet versterking participatie op decentraal niveau krijgt het uitdaagrecht een expliciete plek in artikel 150 van de Gemeentewet. Daarmee verschuift het van een vooral Wmo-gerelateerde mogelijkheid naar een bredere, gemeentebrede opdracht. Gemeenten moeten in hun participatieverordening bepalen onder welke voorwaarden inwoners en maatschappelijke partijen de uitvoering van taken van de gemeente kunnen overnemen.
Dat verandert vooral twee zaken.
- Het uitdaagrecht wordt breder dan de Wmo
Onder de Wmo ging het vooral om taken binnen maatschappelijke ondersteuning: zorg, welzijn, meedoen, mantelzorgondersteuning of dagbesteding. Met de Wet versterking participatie op decentraal niveau komt het uitdaagrecht breder in beeld. Het kan nog steeds gaan over zorg en welzijn, maar ook over andere taken van de gemeente, zoals leefbaarheid, groenbeheer, cultuur, sport of maatschappelijke voorzieningen.
Niet alles is daarmee automatisch uitdaagbaar. Taken waarbij de gemeente nauwelijks beleidsruimte heeft, taken die wettelijk zijn uitgesloten of taken waarbij publiek gezag wordt uitgeoefend, lenen zich niet of nauwelijks voor overdracht en vragen om duidelijke grenzen.
- Van mogelijkheid naar spelregels
Onder de Wmo was het uitdaagrecht vooral een mogelijkheid binnen het sociaal domein. Met de Wet versterking participatie op decentraal niveau moeten gemeenten het uitdaagrecht expliciet een plek geven in hun participatieverordening. Daarmee komt de vraag op tafel welke voorwaarden gelden: wie kan een verzoek doen, welke taken komen in aanmerking, hoe wordt een verzoek beoordeeld en wanneer kan de gemeente nee zeggen?
Van verordening naar praktijk
Het juridisch vastleggen van het uitdaagrecht is een mooie eerste stap. Maar spelregels zijn nog geen praktijk. De wet laat gemeenten ruimte om het uitdaagrecht lokaal in te vullen, en juist daarom is het belangrijk om ook na te denken over de uitvoering. Want een verordening alleen zorgt niet voor een werkende praktijk. Daarvoor zijn ook een duidelijke route, passende ondersteuning en heldere afspraken nodig.
Dat vraagt om meer dan juridische precisie. Raad, college, ambtelijke organisatie en samenleving moeten samen bepalen hoe toegankelijk het uitdaagrecht wordt. Want als de route te ingewikkeld is, vinden waardevolle initiatieven de weg naar het uitdaagrecht alsnog niet.
De kunst is dus niet alleen om verzoeken te toetsen, maar ook om te onderzoeken wat nodig is om goede initiatieven verder te brengen. Met oog voor publieke belangen én voor de praktijk van inwoners. Zo wordt het uitdaagrecht meer dan een recht op papier.
Aan de slag
Het idee van het uitdaagrecht is dus niet helemaal nieuw. Maar de Wet versterking participatie op decentraal niveau maakt het uitdaagrecht wel breder en explicieter, en verplicht gemeenten om er lokaal spelregels voor vast te leggen.
Voor gemeenten is dit hét moment om niet alleen te beginnen met de tekst van de verordening, maar vooral met het gesprek daarachter. Wat willen we mogelijk maken? Welke ruimte geven we inwoners en maatschappelijke partijen? Waar liggen harde grenzen? En hoe zorgen we dat het uitdaagrecht geen papieren recht blijft, maar een werkende praktijk wordt? Aan de slag!



